16. Springen

Aandachtspunten:
  • Met twee voeten afstoten
  • Handen staan weg van het lichaam gericht
  • Klein bolletje tot bij de landing
  • Draai wordt ingezet door de achterste hand
Materiaal:
  • Obstakels mogen niet hoger zijn dan de heuphoogte
  • Obstakels mogen niet scherp of glad zijn maar vooral stevig
  • Voorbeelden: speeltuigen, bank, muur, omgevallen boom, …


Niveau 1


Spring met twee voeten tot op een obstakel en spring eraf in een klein bolletje.

Herhaal enkele keren



Niveau 2


Spring met twee voeten tot op een obstakel en maak een halve draai (de draai wordt ingezet door achterste hand) bij het eraf springen.

Herhaal enkele keren



Niveau 3


Spring in één vlotte beweging over het obstakel zonder draai.
Spring in één vlotte beweging over het obstakel en maak een halve draai.

Herhaal enkele keren



Bekijk de algemene instructievideo